proza

korte verhalen

Peter Minten, het aarzelen van de tijd, De Geus, Breda, 2013, 125 pagina’s, ISBN 978 90 445 3124 4

(het boek is uitverkocht in gedrukte vorm, nog wel verkrijgbaar als e-book)

In het aarzelen van de tijd worstelen mensen met het alledaagse leven. Gaandeweg ontsporen ze. Of het nu gaat om een vrouw die in de ochtendfile haar leven een nieuwe wending geeft, een werkloze die zijn verleden in een vuilnisbak propt, een dochter die op reis schreeuwt wat alle vrouwen schreeuwen, een masseur die elke zaterdag de stad ontvlucht of een man die zijn bevroren echtgenote ontdekt in de tuin van zijn buurman: Minten schept in een uitgebeende taal steeds weer vervreemding, dreiging en onrust.

tekstfragment uit het verhaal -de man voor de deur-
'Papa, er staat een man voor de deur die jou kent', zegt Gijs.
'Wie staat er voor de deur?'
'Het is de papa van Kevin.'
'Kevin?'
'Kevin van mijn klas. Zijn papa zegt dat hij je van vroeger kent, van op het college of zoiets.'
'Ga gewoon even kijken, Bruno', zegt zijn vrouw.
'Iemand die mij van op school kent?' Bruno knippert met zijn ogen.
'Papa, kom nu, hij wil je zien.'

Bruno gaat niet via de voordeur naar buiten. Iets dwingt hem de verandadeur open te schuiven. Zo wint hij enkele seconden. Hun kleine terras, dat door een muur afgeschermd is van de straat, lijkt hem plots een oase van rust. Hij strijkt met zijn vingers over de leuning van de bank. Hij zou 's avonds vaker op die bank kunnen zitten.

Twee fietsen leunen tegen de stenen postbus voor hun huis. Met zijn handen in zijn broekzakken staat een man op de zonovergoten oprijlaan. Zijn krullen zijn uitgedund en hij heeft een pafferig gezicht. Gijs en een jongen met krullend haar staan naast de man.
'Dit is Kevin', zegt Gijs, 'en dit is zijn papa.'
De man haalt zijn handen uit zijn zakken.
Bruno kijkt naar een plek vlak boven de ogen van de man. Ogen moet je altijd vermijden. Dat herinnert hij zich uit een vorig leven.
'Ben jij Bruno Oosterlink van het Sint-Jozefscollege?'
Bruno knikt.
'Dus je bent die Oosterlink.'
De hand van de man ligt nu op de schouder van de jongen. 'Kevin vertelde dat er een Oosterlink in zijn klas zit.'
De jongen straalt.
'Bruno Oosterlink', zegt de man. 'Jij kwam altijd vlak voor me in het alfabet, daarom ben ik je naam niet vergeten.' Hij grinnikt. 'Het college', zegt de man,'dat was een goede tijd.'
Bruno zucht. Het klaslokaal toen, de dingen die hun eigen plaats hadden. Vier rijen met houten tafels en tegen het bord de ijzeren tafel voor de leerkrachten. De zon die 's ochtends de achterste muur van de klas bescheen en in de namiddag het witte krijt op het bord onleesbaar maakte. Het helle licht. Niets wees er op zo'n schooldag op dat er echter de klasramen leven bestond. Bruno was vaak onrustig in de klas, benauwd voor de jongens van de laatste rij, die kerels met hun grote bek. Daar had hij geleerd om niemand in de ogen te kijken en zijn ongerustheid niet te tonen, dat was de beste manier om te overleven. Dromen deed Bruno nooit in de klas. Dromen was een luxe die hij zich niet kon veroorloven. Hij was stil en waakzaam. De schoolbanken hadden zijn overlevingsinstinct getraind. 
(...)
tekstfragment uit het verhaal -hoogland-
(...)
Tom leunde achterover op de bank. Hoog boven het wolkenloze hoogland glom de sterrenhemel. Een ontelbaar aantal lichtpunten. Het leek daarboven wel een casino. Was het daar waar er gedobbeld werd over zijn lot?
De dikke man drukte de fles Scotch gulzig tegen zijn lippen. 'Ook een beetje?' De man schoof naar Tom.
Tom knikte en nam een voorzichtige slok.
'Tom heet je, mag ik Tom zeggen?'
Kuchend gaf Tom de fles weer aan de man.
'Alcohol vreet hersencellen', zei de man,'wist je dat?'
Tom lachte flauw.
'Maar het kan geen kwaad, de mens heeft veel te veel hersencellen, die kan je in een leven toch nooit allemaal gebruiken.' Met zijn hand masseerde de man zijn pijnlijke knie. 'Wat doe jij in het dagelijkse leven, Tom?'
'Softwareontwikkelaar, ik ben softwareontwikkelaar.'
'Je bent wat?'
'Computers en zo', zei Tom.
Het laatste beetje beweging was uit het hoogland verdwenen. Het waaide niet meer. Wat restte waren Tom, de dikke man en de onbeweeglijke stilte.
De man schraapte zijn keel. 'Je vriendin, hoe zal ik het vragen, ben je met die Britt getrouwd, Tom?'
'Neen, maar we wonen wel samen.' Tom zuchtte.
'Geen makkelijke', zei de man na een tijd.
'Ach.'
'Praat ze nog tegen je?'
Tom schudde het hoofd.
De man knikte. 'En de seks?'
De linkervoet van Tom ging op en neer.
'Dat dacht ik al. Heb je ooit iets gedaan met vechtsport?' vroeg de man.
'Heb ik wat?'
'Zelfverdediging, bedoel ik, judo of zo?'
'Waarom vraagt u dat?'
'Je moet voorzichtig zijn, Tom. Je vriendin heeft een vreselijke blik.'
Tom schrok. 'Wat bedoelt u?'
'Ik zeg wat ik zeg.'
Ver boven het hoogland stond de hondsster, de helderste ster van de nachtelijke sterrenhemel.
'Heb je mijn vrouw de voorbije avond een woord horen zeggen?' vroeg de man.
'Neen.'
'Jaren geleden is het bij haar ook zo begonnen.' De man sloeg met een van zijn grote handen op zijn bovenbenen. 'Eerst stopte de seks, dan de woorden, dan was er alleen nog die vreselijke blik. Ik kon het na een tijd niet meer verdragen. En toen op een dag deed ik het.'
(...)
tekstfragment uit het verhaal -reisgenoten-
Onder de takken van een banyan perst Maaike aardappelbrokken in haar mond. Haar lippen lijken de aardappelstukken eerst te omhelzen, voor ze aan haar malende tanden worden overgeleverd. Maaike heeft haar lipstick in feestelijke lagen aangebracht. Mijn dochter wordt achttien vandaag.
Met een hoofdknik serveert Liton een kom bonen en een fles Kingfisherbier.
Ik kauw traag terwijl mijn nagels over mijn stoppelbaard schrapen. Als mijn voet oké was, zouden Maaike en ik honderden kilometers van hier zijn, in de gompa's op het dak van de wereld, daar waar de nukkige regengoden ons niet kunnen vinden.

Het moessonseizoen gijzelt het broeierige heuvelland. 's Avonds beginnen de regens treuzelend, maar ze kunnen op elk ogenblik in een ongetemde hemelzee veranderen. De varens, die tussen het bouwafval groeien, zuigen nu nog hoogmoedig de verkoelende druppels op, maar als de regen met bakken uit de hemels valt, moeten ook zij hun hoofden buigen.

Maaike zit tegenover me op een stoel. Haren slingeren als lianen rond haar hoofd. Make-up kan de wallen onder haar ogen niet maskeren. Nijdig veegt ze de zweetsporen van haar voorhoofd. Ze bunkert het voedsel, veert op van de stoel en verdwijnt door het deurgat.
'You lucky', zegt Liton, 'your girl beautiful woman.'
'Ik niks lucky', zucht ik.
Vanochtend hadden Maaike en ik woorden.
(...)
de integrale versie van een absurdistisch verhaal -gele lis-
Op een ochtend ontdekte ik mijn buurvrouw toen ik een gat scheurde in de heg. Ik was op zoek naar de bron van een smakkend geluid. In een strak rokje zat ze op haar hurken in haar tuin onder de overhangende takken van mijn appelboom. Ze kauwde met open mond en gesloten ogen. Haar lange vingers omklemden een steeltje. Toen ik haar zag wist ik dat zij mijn kans was op een goede daad.

Dat ik ook van appels hield. Nog veel meer vertelde ik. We maakten een opening in de heg tussen onze tuinen. Dat praatte makkelijker.
Mijn buurvrouw zei dat ze haar tuin niet meer wilde verlaten. Ze leefde van een uitkering. Ze had als biologielerares gewerkt op een school en kreeg daar problemen. Echte problemen. Het had iets te maken met haar lessen over de evolutietheorie.
Door haar besloot ik die ochtend ook een streep te trekken onder mijn loopbaan. Naar kantoor gaan wilde ik niet meer. Mijn schedel werd te klein voor het groeiende aantal antwoorden dat ik elke dag moest verzinnen op de praktische vragen van collega's.

Even later stond mijn buurvrouw heupwiegend in de opening van de heg toen ik op mijn terras de etensbak van de kat vulde met harde brokken. Kippen kwamen aangelopen uit het verste gedeelte van de tuin. Ze renden door het hoge gras en pikten kattenbrokken uit de bak. De kippen leken dol op die dingen. Ook kraaien en eksters vlogen met de brokken af en aan naar de appelboom. Afzijdig stond de kater naar het tafereel te kijken.
'Ik begrijp niets van kattenbrokken', zei ik.
'Geen idee waarom ze op de verpakking schrijven dat het kattenbrokken zijn', zei mijn buurvrouw. 'Waarschijnlijk weten de fabrikanten het niet.'
Ik fronste mijn wenkbrauwen.
'Ze weten niet dat kippen en vogels en een hoop andere dieren die dingen ook lekker vinden', zei ze. 'De fabrikanten van kattenbrokken lopen op werkdagen nooit in hun tuin. Ze staan er dan ook niet bij stil dat hoge doses brokken een volkomen onvoorspelbare uitwerking kunnen hebben op de volgende generaties kippen en vogels. Het erfelijk materiaal van die dieren is al aan het veranderen.'
Ik begreep niet wat ze bedoelde, maar ik verlangde naar haar, dus glimlachte ik. Glimlachen is je mond oefenen om vragen te stellen.

Mijn kater vond ik daarna onder een heester in de tuin. Toen het beest overeind kwam, zag ik dat hij op kippeneieren had geslapen. Ik kon begrijpen dat dieren vastgeroeste rolpatronen willen doorbreken, maar toch. Ik zocht mijn buurvrouw in haar tuin. Ze stond bedenkelijk naar de rand van haar vijver te kijken. Ik tikte op haar schouder en vertelde wat ik had ontdekt.
'Katers horen niet op kippeneieren te slapen', zei ik.
'Blij dat ik geen kat heb', zei ze. 'Ik vind het maar enge beesten. De natuur is haar handleiding goed kwijt.'

Na het middageten speelde ik met mijn cavia een kaarsspelletje aan tafel. Wie het dichtst met zijn neus bij een kaarsvlam durfde te komen. Mijn cavia won. Dat vertelde ik mijn buurvrouw. In de opening van de heg keek ze me aan met haar grote groene ogen en zei vreemde dingen. Dat de menselijke soort in gevaar was. Die woorden gebruikte ze, 'de menselijke soort'. Ze wilde weten wat er in de wereld aan de hand was. Maar alleen durfde ze haar tuin niet uit. Of ik met haar wilde gaan wandelen?

Pratend verlieten we de straat. Ik had enige moeite om de tred van haar lange benen te volgen. Bij elke stap klom en daalde het rokje over haar lekkere billen.
Waar het grasland begon, kronkelde een smalle betonnen weg langs een beek. Mijn buurvrouw benoemde allerlei dieren en planten. Het leek alsof ze de naam van elk levend wezen kende.
Met haar hand maakte ze een haltgebaar. Ze loerde naar de beek en spande haar lippen.
'Lis', zei ze, 'overal groeit gele lis.'
'Wat is er mis met die lis?' Ik schrok van mijn eigen woorden. Voor het eerst sinds jaren was er weer een vraag over mijn lippen gerold. De formulering was niet volmaakt en het was nog geen belangrijke vraag, maar het was wel een vraag.
'Ik had het niet mogen doen', zei ze.
Voor onze voeten waaierde een ondoordringbaar tapijt van gele bloemen.
'Het is vreselijk', zei ze.
'Waar heb je het over?' Mijn tweede vraag. Eenvoudige vragen stellen, dat leerde ik snel.
'Gele lis', zei ze. 'In mijn tuin groeide een kleine plant aan de rand van de vijver. Ik heb die lis vorige lente uitgegraven. Ik was erop uitgekeken.'
'Ja, en?' Het begin van een vraag.
'Wat moest ik met die lis? Ik nam dat ding mee naar dit natuurgebied en plantte de lis hier aan de waterkant.' Ze zuchtte.
Zelfs op de droge weilanden en op de betonnen weg woekerden de gele bloemen.
'Eén plant heb ik hier achtergelaten', zei ze, 'en kijk nu eens. De lis bedekt hier alles. Ik begrijp er niets van. Het is een waterplant, maar ze groeit nu overal. De lis heeft het water niet meer nodig. Ze is gemuteerd. Ze heeft haar vrijheid veroverd.'
'Jezus.'
'Het heeft niets te maken met Jezus', zei ze. 'Integendeel, het is gewoon biologie.'
Rillend sloeg ze haar ogen neer. Ik wilde mijn armen rond haar schouders slaan, maar deed het niet. Belangrijke vragen had ik haar nog niet gesteld. Vrouwen die ik niet echt ken omhels ik niet.
We haastten ons terug naar onze tuinen.

's Avonds brak de gele lis de poort van de oprijlaan open en marcheerde naar mijn huis. De plant veranderde de keuken in een bloemenzee, klom langs de trap naar de bovenverdieping en strekte zich behaaglijk uit op mijn bed. Met een sikkel en een hamer ging ik de bloemen te lijf. Niets hielp.
Ik vluchtte naar de tuin en wierp die nacht een slaapzak op de houten vloer van het tuinhuis, achter de fruitbomen. Ik kon wel overleven op eieren en fruit.
Achter het raam stond mijn buurvrouw. De lis leek haar huis en tuin te mijden. Misschien wilde de gemuteerde plant niet herinnerd worden aan de plek waar ze een tijd geleden niet meer was dan een kleine gele bloem, een onbeduidend antwoord van de vroegere natuur.

De lis brak vandaag het verandaglas en begon aan haar veroveringstocht door mijn tuin. Daar vocht ik. Met de sikkel en de hamer trachtte ik de lis te kortwieken en te verpletteren. Mijn armen rezen en daalden krachtiger en zelfverzekerder dan ik me voelde, alsof ze deel uitmaakten van bewegingen die groter en ouder waren dan ikzelf.


                                            ***

Taaie scheuten gele lis trekken een strakke knoop rond mijn hoofd. De naden van mijn schedel trillen. Druppels snot lekken uit mijn neusgaten en parelen aan mijn lippen. Ik lik even. Sinds mijn jeugd heb ik geen snot meer geproefd. Het smaakt heerlijk. Ik begin hard te lachen. Met het lachen komen de vragen: Hoe mijn buurvrouw heet? Hoeveel kinderen we samen zullen hebben? Of zij en ik elkaar belangrijke vragen zullen blijven stellen? Of we lekker in deze tuin zullen blijven wonen?
Mijn handen rukken aan de knoop en grijpen opnieuw naar de sikkel en de hamer. Met een rauwe kreet baan ik me een weg naar haar tuin.

Ik vlij me in het gras naast haar fraaie lichaam en stel haar de eerste vraag.
'Eva', antwoordt ze.
'Hoeveel kinderen?'
Twaalf kinderen wil ze. Haar tuin is net groot genoeg om twaalf kinderen te voeden. Zes jongens en zes meisjes. Daarmee hebben we genoeg genetische diversiteit voor een nieuwe mensensoort: de tuinmens. een met hamer en sikkel tuinierend vegetarisch wezen. Een voorspeld wezen volgens de revolutionaire biologie.
Eva trekt glimlachend het topje over haar borsten en opent de rits van haar jeansbroek. Haar slipje belandt in het gras. Dan ritst ze mijn broek open. Vragend kijk ik naar haar en wijs veelbetekenend naar het snel groeien van de goede daad in mijn onderbroek.
Terwijl ik haar pols of we elkaar dit soort indringende vragen zullen blijven stellen, kreunt ze en gaat haar hoofd ritmisch op en neer.
Haar antwoord op de laatste vraag, of ons gezin ook in de toekomst in deze vredige tuin zal blijven wonen, gaat in mijn toenemende gehijg verloren.